In het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 4 april 2025, ECLI:NL:HR: 2025:518, wordt het onderscheid tussen advocaten werkzaam in het Caribische deel enerzijds en het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden anderzijds, gerechtvaardigd, met een beroep op verschillen in kwaliteit, toezicht en organisatie.
Maar twee cruciale elementen uit het arrest zelf zetten die redenering onder druk namelijk:
1) Art. 8 Rijkswet Rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint-Maarten, Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (hierna: de Rijkswet) wordt genegeerd. De Rijkswet bepaalt expliciet in artikel 8 dat zaken bij de Hoge Raad óók kunnen worden bepleit door advocaten ingeschreven bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint-Maarten en van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (hierna: Gemeenschappelijk Hof). Dat is een directe wettelijke recht, zonder uitzondering of beleidsruimte.
2) Geen verplichte procesvertegenwoordiging in Aruba, Curaçao, Sint-Maarten, Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (hierna: het Caribisch gebied). De Hoge Raad erkent zelf door te verwijzen naar rov. 5.12 van het vonnis van het Gemeenschappelijke hof dat er géén verplichte procesvertegenwoordiging bestaat in Curaçao, Aruba, Sint-Maarten, Bonaire, Sint-Eustatius en Saba. Met andere woorden rechtzoekenden kunnen zonder advocaat procederen en Hof-advocaten opereren in een ander procesrechtelijk systeem. Maar juist dat maakt het onderscheid problematisch. Immers, dezelfde advocaten die in het hele Caribische rechtsgebied vrij kunnen procederen worden bij de hoogste rechter van datzelfde Koninkrijk uitgesloten.
De kernvraag die blijft liggen: Kan een systeem, waarin geen verplichte procesvertegenwoordiging bestaat, én waarin de Rijkswet toegang verleent van Caribische advocaten tot de Hoge Raad, toch leiden tot een feitelijke uitsluiting via nationale toelatingsregels in Nederland?
Binnen de constitutionele hiërarchie van regelgeving geldt:
1. EVRM (= verdrag) gaat vóór grondwet, rijkswetten en nationale wetten;
2. Rijkswet gaat vóór nationale wetten;
3. Artikel 94 van de Grondwet verplicht tot buiten toepassing laten van nationale wetten bij strijd met verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
Toch wordt deze botsing niet expliciet getoetst. Wat dit arrest blootlegt is dat toegang tot de rechter bestaat formeel, maar wordt materieel gefilterd. Bevoegdheid wordt verleend, maar niet uitvoerbaar gemaakt. De Hoge Raad erkent de spanning, maar lost haar niet op.
De vraag is niet langer of Caribische advocaten toegang moeten krijgen tot de cassatiebalie, maar of het huidige systeem die toegang juridisch nog kan blijven blokkeren.