De spanning tussen formeel procesrecht en fundamentele rechtsbeginselen komt scherp naar voren in de verhouding tussen artikel 52 van de Advocatenlandsverordening en artikel 20 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van Curaçao.
Artikel 20 Rv is helder: een partij kan procederen in persoon, via een gemachtigde of via een raadsman. De wet stelt daarbij geen expliciete eis dat deze vertegenwoordiger woonachtig of gevestigd moet zijn in Curaçao. Dit uitgangspunt waarborgt de vrije toegang tot de rechter en de autonomie van de procespartij.
Daartegenover lijkt artikel 52 van de Advocatenlandsverordening een beperking te introduceren door impliciet of expliciet de keuze van rechtsbijstand te beperken tot lokaal gevestigde advocaten. Dit roept fundamentele vragen op over de rechtsgeldigheid en proportionaliteit van deze bepaling.
Strijd met hogere rechtsnormen
Allereerst ontstaat er een interne inconsistentie binnen het Curaçaose rechtssysteem. Waar artikel 20 Rv ruimte biedt voor brede vertegenwoordiging, lijkt artikel 52 deze ruimte te beperken zonder duidelijke wettelijke basis in het procesrecht zelf.
Daarnaast is er een belangrijk internationaalrechtelijk aspect. Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), die ook op Curaçao geldt, garandeert het recht op een eerlijk proces (“fair trial”), waaronder mede begrepen het recht op effectieve toegang tot de rechter en vrije keuze van rechtsbijstand.
Een beperking, die partijen dwingt uitsluitend lokaal gevestigde advocaten in te schakelen, kan dit recht onevenredig aantasten, zeker in een tijd waarin grensoverschrijdende rechtspraktijk de norm is.
Verouderde verwijzingen en rechtszekerheid
Opmerkelijk is bovendien dat de Advocatenlandsverordening nog verwijst naar de “Nederlandse Antillen”, een staatsrechtelijke entiteit die sinds 2010 niet meer bestaat. Dit roept vragen op over de actualiteit en zorgvuldigheid van de regelgeving, en daarmee over de rechtszekerheid voor rechtzoekenden.
Conclusie
De kernvraag is of artikel 52 Advocatenlandsverordening nog stand kan houden in het licht van artikel 20 Rv en artikel 6 EVRM. Indien de bepaling daadwerkelijk de vrije keuze van vertegenwoordiging beperkt, lijkt sprake te zijn van een disproportionele inbreuk op fundamentele rechten.
Een herijking van deze regeling lijkt dan ook geen overbodige luxe. Toegang tot het recht mag niet worden begrensd door verouderde of tegenstrijdige regelgeving, maar dient juist te worden gedragen door transparantie, keuzevrijheid en eerbiediging van fundamentele rechtsbeginselen.